Dictionary
› dessert
„dessert" in Dutch
How do you say "dessert" in Dutch?
dessert
→
het nagerecht, het toetje
/ðə dɪzˈɜːt/
✓ Verified by a human
Translations · 4
- the dessert→het nagerecht, het toetje
- the dessert→het dessert
- the dessert→het nagerecht
- the dessert→het toetje
Phrases · 6
- dessert, desserts→dessert, desserts
- dessert, desserts→toetje, toetjes
- the dessert, desserts→het dessert, de desserts
- the dessert, the desserts→het dessert, de desserts
- the dessert, the desserts→die dessert, die desserts
- the dessert, the desserts→het toetje, de toetjes
Example sentences · 20
- I love dessert. → Ik hou van desserten.
- Do you want a dessert? No, I don't want dessert. → Wil je een dessert? Neen, ik wil geen dessert.
- I don't want dessert. → Ik wil geen dessert.
- Do you want dessert? → Wil je een dessert?
- Tom wants dessert. → Tom wil een dessert.
- Can I order a dessert? → Kan ik een toetje bestellen?
- It was a good dessert! → Het was een goed dessert!
- We'd like a dessert. → We willen graag een dessert.
- We had pie for dessert. → We aten taart als dessert.
- The dessert menu, please. → Het dessertmenu alstublieft.
- Is the dessert too sweet? → Is het dessert te zoet?
- Adam likes the dessert. → Adam vindt het toetje lekker.
- If you pay, I'll take dessert. → Als je betaalt, neem ik een dessert.
- Would you like any dessert? → Wilt u een nagerecht?
- She doesn’t need any dessert. → Ze heeft geen dessert nodig.
- Are you having a dessert? → Neem jij een toetje?
- Would you like more dessert? → Wil je meer dessert?
- Is this dessert sweeter? → Is dit dessert zoeter?
- What do you want for dessert? → Wat wil je als nagerecht?
- This dessert is not so sweet. → Dit dessert is niet zo zoet.
See also
Learn "het nagerecht, het toetje" forever
Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.