Dictionary
› flu
„flu" in Dutch
How do you say "flu" in Dutch?
flu
→
de griep
/ðə flˈuː/
✓ Verified by a human
Translations · 4
- the flu→de griep
- the Flushing→het Vlissingen
- to flush→uitspuiten
- to flush→doorspoelen
Phrases · 6
- a flu→een griep
- bird flu→de vogelgriep
- flu jabs→de griepprikken
- the flu, the flus→griep, griepen
- avian flu→de vogelgriep
- flu virus→het griepvirus
Example sentences · 20
- I've got flu. → Ik heb griep.
- I have a flu. → Ik heb griep.
- He has the flu. → Hij heeft griep.
- I had flu recently. → Ik heb net griep gehad.
- Do you have a flu? → Ben je grieperig?
- There is flu medicine. → Er is griepmedicijn.
- I do not have a flu. → Ik heb geen griep.
- Does she have the flu? → Heeft zij griep?
- She doesn't have the flu. → Zij heeft geen griep.
- She has flu symptoms. → Ze heeft griepsymptomen.
- I don't need a flu shot. → Ik heb geen griepprik nodig.
- There is a persistent flu. → Er heerst een hardnekkige griep.
- Is there any flu medicine? → Is er griepmedicijn?
- They don't have flu medicine. → Ze hebben geen griepmedicijn.
- They don't show flu symptoms. → Ze vertonen geen griepsymptomen.
- The flu is a contagious disease. → De griep is een besmettelijke ziekte.
- Vaccination helps prevent the flu. → Vaccinatie helpt griep te voorkomen.
- Vaccination helps prevent the flu. → De politie arriveerde net op tijd om de aanslag te verijdelen.
- Influenza is another name for flu. → Influenza is een andere naam voor griep.
- Does he have any flu symptoms? → Heeft hij griepsymptomen?
See also
Learn "de griep" forever
Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.