Dictionary
› groceries
„groceries" in Dutch
How do you say "groceries" in Dutch?
groceries
→
de kruidenierswinkel
/ðə ɡɹˈəʊsəɹɪ/
✓ Verified by a human
Translations · 4
- the grocery→de kruidenierswinkel
- the grocer→de kruidenier
- gross→bruto
- in groups→groepsgewijs
Phrases · 6
- the groceries→de boodschappen
- the groceries→boodschappen
- buy groceries→levensmiddelen kopen
- other groceries→de andere boodschappen
- for the groceries→voor de boodschappen
- to bring groceries→boodschappen brengen
Example sentences · 20
- This bag is for the groceries. → Deze tas is voor de boodschappen.
- I need a bag for the groceries. → Ik heb een tas nodig voor de boodschappen.
- The groceries are not done today. → De boodschappen zijn vandaag niet gedaan.
- I didn't help her with the groceries. → Ik heb haar niet geholpen met de boodschappen.
- She spends wisely on groceries. → Ze geeft verstandig uit aan boodschappen.
- Is there a monthly budget for groceries? → Is er een maandelijks budget voor boodschappen?
- Might he use coupons for groceries? → Zou hij bonnen kunnen gebruiken voor boodschappen?
- Here is the list of groceries you need to do. → Hier is de het lijstje met de boodschappen die je moet doen.
- That needy family received groceries. → Dat behoeftige gezin kreeg boodschappen.
- The cashier bagged the customer's groceries. → De caissière deed de boodschappen van de klant.
- Tom gave Mary some money to buy groceries. → Tom gaf wat geld aan Mary om boodschappen te doen.
- Put the groceries down here on the counter. → Zet de boodschappen hier op de toonbank.
- Before they closed, they bought groceries. → Ze kochten levensmiddelen voordat ze sloten.
- I always go to the supermarket for my groceries. → Ik ga altijd naar de supermarkt voor mijn boodschappen.
- On this list are the groceries that I have to get. → Op dit lijstje staan de boodschappen die ik moet halen.
- The customer must pay the price of the groceries. → De klant moet de prijs van de boodschappen betalen.
- Did you buy groceries before the store closed? → Kocht u levensmiddelen voordat de winkel sloot?
- I filled the cart with groceries for the weekend. → Ik vulde de winkelwagen met boodschappen voor het weekend.
- The supermarket brings the groceries to our home. → De supermarkt brengt de boodschappen naar ons huis.
- They didn't forget to buy groceries before closing. → Ze vergaten niet om levensmiddelen te kopen voordat het sloot.
See also
Learn "de kruidenierswinkel" forever
Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.