Dictionary
› judge
„judge" in Dutch
How do you say "judge" in Dutch?
judge
→
beoordelen
/tə dʒˈʌdʒ/
✓ Verified by a human
Translations · 4
- to judge→beoordelen
- to judge→oordelen
- the judge→de rechter
- as sober as a judge→broodnuchter
Phrases · 6
- Judge→Rechter
- the judge, the judges→de rechter, de rechters
- the judge, the judges→rechter, rechters
- a judge→rechter
- I judge→oordelen
- I judge→ik oordeel
Example sentences · 20
- The judge is fair. → De rechter is eerlijk.
- Is the judge strict? → Is de rechter streng?
- I can't judge distance. → Ik kan afstand niet beoordelen.
- Will the judge be fair? → Zal de rechter eerlijk zijn?
- What do you judge true? → Wat oordeel je als waar?
- Was the judge impartial? → Was de rechter onpartijdig?
- The upright judge made a fair judgement. → De eerlijke rechter oordeelde rechtvaardig.
- Who are you to judge me? → Wie ben jij om mij te beoordelen?
- The judge set bail at $10,000. → De rechter stelde de borgtocht vast op $10.000.
- Did the judge deny bail? → Heeft de rechter borgtocht geweigerd?
- Did Deborah judge Israel? → Oordeelde Debora Israël?
- Jesus said to judge not. → Jezus zei niet te oordelen.
- The judge should show mercy. → De rechter moet barmhartigheid tonen.
- I judge negatively, in total. → Ik beoordeel het negatief, in totaal.
- I judge the facade strictly. → Ik oordeel streng over de gevel.
- Informed, I judge better. → Geïnformeerd, oordeel ik beter.
- The judge read the judgment to the plaintiff. → De rechter las het arrest voor aan de eiser.
- I had to judge it for myself. → Ik moest het zelf beoordelen.
- The judge was stern but fair. → De rechter was streng maar rechtvaardig.
- The judge gives a sentence. → De rechter legt een straf op.
See also
Learn "beoordelen" forever
Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.