Dictionary
› leg
„leg" in Dutch
How do you say "leg" in Dutch?
leg
→
het been
/ðə lˈɛɡ/
✓ Verified by a human
Translations · 4
- the leg→het been
- the leg, the legs→het been, de benen
- leg warmers→beenwarmers
- the leg, the legs (of a dog)→de poot, de poten (van een hond)
Phrases · 6
- leg, legs→been, benen
- leg, legs→been
- Leg pain→Benen doen pijn
- left leg→het linkerbeen
- my leg, my legs→mijn been, mijn benen
- The leg→Been
Example sentences · 20
- The dog bit his leg him on the leg. → De hond heeft hem in zijn been gebeten.
- He broke his leg. The leg is broken. → Hij brak zijn been. Het been is gebroken.
- Shake a leg. → Schiet eens op.
- My leg itches. → Mijn been jeukt.
- He cut his leg. → Hij heeft zichzelf in het been gesneden.
- My leg is long. → Mijn been is lang.
- She cut her leg. → Ze heeft zichzelf in het been gesneden.
- Don't pull my leg! → Trek niet aan mijn been!
- Tom cut his leg. → Tom sneed zichzelf in het been.
- The leg is long. → Het been is lang.
- Is the leg long? → Is het been lang?
- I have leg pain. → Ik heb beenpijn.
- Mary cut her leg. → Mary sneed zichzelf in het been.
- My leg doesn't hurt. → Mijn been doet geen pijn.
- My leg hurts now. → Mijn been doet nu pijn.
- I’ve broken my leg. → Ik heb mijn been gebroken.
- I can't move my leg. → Ik kan mijn been niet bewegen.
- My leg is not short. → Mijn been is niet kort.
- She has hurt her leg. → Ze heeft haar been bezeerd.
- I cannot move my leg. → Ik kan mijn been niet bewegen.
See also
Learn "het been" forever
Taalhammer schedules reviews so you never forget. Add this word and practice it in the app.